werkgroep hoofd-halstumoren hoofdtumor halstumor tumor diagnostiek behandeling controle hoofd-halsgebied

NWHHT

Nederlandse Werkgroep Hoofd-HalsTumoren

Direct naar hoofdmenu en site informatie
Huidig pad: Home » Hoofd-halstumor

Algemene aspecten

In dit hoofdstuk Algemene aspecten komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • Voorkomen
  • Etiologische factoren
  • Onderzoek
  • Classificatie
  • Weefselonderzoek
  • Principes van de behandeling
  • Teambehandeling

Voorkomen

Incidentiecijfers geven een indruk van de relatieve frequentie van bepaalde ziekten. Onder incidentie verstaat men het aantal nieuw optredende ziektegevallen per jaar per 100 000 individuen van een populatie (n/100 000). Sinds 1992 zijn de gegevens van de Nederlandse Kankerregistratie (Netherlands Cancer Registry; NCR) voorhanden. De in dit hoofdstuk genoemde incidentiecijfers zijn, waar mogelijk, ontleend aan de NCR-verslagen en de aparte katern over hoofd-halstumoren over de jaren 1989 tot en met 1995. Exclusief de huidcarcinomen en de maligne lymfomen, maar inclusief de carcinomen van de schildklier, vormt de groep maligne hoofd-halstumoren bijna 5% van het totale aantal kwaadaardige gezwellen, met een incidentie van 17/100 000. Daarmee behoort deze groep tot de tien meest geregistreerde soorten kanker in Nederland.

Etiologische factoren

Langdurige expositie van de blanke huid aan zonlicht en aan andere weersinvloeden is mede verantwoordelijk voor het ontstaan van huid- en lipcarcinomen.

Overmatig gebruik van tabak en alcohol speelt een belangrijke rol in de genese van maligne tumoren uitgaande van het slijmvlies dat het bovenste deel van de adem- en voedingsweg bekleedt. Dat maakt het begrijpelijk dat zich in 15 tot 30% van de gevallen bij een patiënt een tweede primaire maligne tumor in het hoofd-halsgebied, de longen of de slokdarm kan ontwikkelen. Naast overmatig gebruik van tabak en alcohol zijn bij het ontstaan van maligne tumoren in het slijmvlies van het bovenste gedeelte van de adem- en voedingsweg waarschijnlijk nog andere factoren van belang, zoals voedingsdeficiënties (in het bijzonder een tekort aan vitamine A en vitamine C als gevolg van onvoldoende inname van verse groenten en fruit), virale factoren (humaan papillomavirus, HPV), genetische predispositie en beroepsfactoren.

Vroegere blootstelling aan ioniserende straling is een factor in het optreden van gezwellen van de huid, de slijmvliezen, de schildklier, de bijschildklieren en de speekselklieren.

Onderzoek

Centraal staan het opnemen van een goede anamnese en het zorgvuldig uitvoeren van inspectie en palpatie, met als onmisbaar hulpmiddel het spiegelonderzoek, de indirecte endoscopie. Voor de nadere vaststelling van de aanwezigheid en de lokale uitbreiding van het tumorproces zijn de volgende methoden van onderzoek essentieel: röntgendiagnostiek, directe endoscopie, computertomografie (CT) en kernspinresonantietomografie (MRI: magnetic resonance imaging). Daarnaast zijn, bij daartoe in aanmerking komende gevallen, onderzoek met radioactieve isotopen (schildklier, bot, speekselklieren), echografie, CT en MRI (zwellingen in de hals, schildklier) en onderzoek onder narcose (tongcarcinoom, larynxcarcinoom, oropharynxcarcinoom) van belang.

Classificatie

Naast de histologische classificatie en de indeling naar lokalisatie is sinds vele jaren een klinische stadiumindeling in gebruik, waarvoor Denoix in de jaren 1943 tot 1952 de basis heeft gelegd. Deze zogenoemde TNM-indeling maakt het niet alleen mogelijk tot een onderlinge vergelijking van behandelingsresultaten te komen, maar zij wordt ook gebruikt voor het bepalen van het tumorvolume en het opstellen van het behandelplan. In het TNM-systeem wordt de grootte van de primaire tumor verwerkt (T), het al of niet aanwezig zijn van lymfekliermetastasen in de hals (N) en van metastasen op afstand (M). Met deze gegevens wordt een stadiumindeling opgesteld.

In het verleden bestonden twee TNM-systemen naast elkaar, dat van de UICC (Union Internationale Contre le Cancer) en dat van de AJCC (American Joint Committee on Cancer). Sinds 1987/1992 is er één uniforme indeling in gebruik (voor de meest voorkomende lokalisaties zie tabel in betreffende hoofdstuk).

Weefselonderzoek

De definitieve diagnose waarop de behandeling wordt gebaseerd, kan uitsluitend door histologisch onderzoek worden gesteld. In het algemeen is het niet moeilijk uit direct zichtbare en goed bereikbare tumoren onder oppervlakte- of geleidingsanesthesie een biopt te nemen. Een incisiebiopsie uit de rand van de tumor, inclusief een stukje normaal lijkend epitheel, kan dan met de haptang worden uitgevoerd. Een biopsie uit het centrum van een ulcererende tumor levert veelal slechts necrotisch materiaal op. Voor het verkrijgen van materiaal uit een dieper gelegen, niet-ulcererende tumor, zoals een zwelling in de hals, bestaan verschillende andere mogelijkheden.

Voor een aspiratiebiopsie (dunnenaaldbiopsie, cytologische punctie) maakt men gebruik van een dunne naald op een spuit, waarmee enige inhoud van de zwelling wordt opgezogen. Dit materiaal wordt op een objectglas uitgestreken en na fixatie en kleuring cytologisch onderzocht. Om met deze eenvoudige, snelle en weinig kostbare werkwijze een hoge graad van betrouwbaarheid te bereiken, moet men verzekerd zijn van de medewerking van een ter zake kundige patholoog-cytoloog. Deze methode van biopteren heeft al jaren een vaste plaats in het onderzoek van een voor maligniteit verdachte zwelling in de hals. De aspiratiebiopsie heeft een grote sensitiviteit en specificiteit en de oorspronkelijk bestaande vrees voor versleping van tumorcellen is ongegrond gebleken.

De dikkenaaldbiopsie wordt met de Vim-Silverman- of Tru-Cut-naald (Travenol-naald) uitgevoerd. Met deze veel dikkere naald verwijdert men uit de betrokken zwelling een pijpje weefsel, waarvan histologisch onderzoek mogelijk is. Aan deze methode kleeft het bezwaar dat tumorcellen buiten hun oorspronkelijke lokalisatie in het traject van de naald kunnen worden verspreid. Bovendien kunnen, zeker in handen van niet zeer ervarenen, beschadigingen van belangrijke naburige structuren (a.carotis, trachea) ontstaan. Daarom is deze methode in het algemeen niet aan te bevelen bij tumoren in het hoofd-halsgebied.

Zoals elke biopsie van een verdachte zwelling in de hals moet ook een open biopsie van een dergelijke zwelling steeds vooraf worden gegaan door een volledig onderzoek van het gehele hoofd-halsgebied (zie ook hoofdstuk 'Klier in de Hals'). Het is het meest aanbevelenswaardig onder narcose een excisiebiopsie, of bij grotere tumoren een incisiebiopsie, van de zwelling uit te voeren, met vriescoupeonderzoek tijdens de operatie, zodat de mogelijkheid bestaat tot een definitieve chirurgische behandeling in dezelfde zitting.

Principes van de behandeling

Radiotherapie en chirurgie zijn de behandelingsvormen waarmee, alleen of in combinatie, in het onderhavige gebied genezing kan worden bereikt. Dat kan van chemotherapie niet worden gezegd. Hoewel chemotherapie uitvoerig is toegepast als onderdeel van combinatiebehandelingen met radiotherapie en/of chirurgie, heeft dit tot nu toe niet geleid tot een verlenging van de overleving van patiënten met een maligne epitheliale tumor in het hoofd-halsgebied. Chemotherapie blijft daarom vooralsnog gereserveerd voor onderzoek in trialverband. Bij patiënten met een op andere wijze niet meer te behandelen lokaal of regionaal recidief, dan wel metastasen op afstand, kan echter met chemotherapie (methotrexaat) een goede palliatie worden bereikt.

Een in opzet curatieve chirurgische behandeling vergt zodanig ruime resecties dat in de snijvlakken bij histologisch onderzoek geen tumorweefsel wordt aangetroffen. Een dergelijk verlies van weefsels leidt in het hoofd-halsgebied al spoedig tot uitwendig zichtbare mutilaties en verstoring of verlies van functies. Om functionele en esthetische redenen maakt dat veelal herstel - chirurgische reconstructie dan wel prothetische voorzieningen - noodzakelijk. Radiotherapie is meer weefselsparend, maar geenszins minder agressief. Zeer oude patiënten en alcoholici verdragen een langdurig voort te zetten bestralingsbehandeling in het algemeen zeer matig.

Aard en uitgebreidheid van het tumorproces (tumorfactoren), algemene conditie en wensen van de patiënt, alsook zijn slechte gewoonten (patiëntenfactoren) en de in het behandelcentrum aanwezige mogelijkheden en opgedane ervaring (doktersfactoren) bepalen de keuze tussen de verschillende mogelijke vormen van behandeling. Tegenwoordig kiest men voor grotere primaire tumoren met halskliermetastasen veelal voor een planmatig opgezette combinatiebehandeling, bestaande uit chirurgie en postoperatieve radiotherapie. Kleine maligne primaire tumoren kunnen met dezelfde resultaten chirurgisch of radiotherapeutisch worden behandeld.

Een zorgvuldig georganiseerde en langdurige follow-up en de eliminatie van eventueel aanwezige etiologische factoren zijn voor een optimale behandeling van groot belang.

Teambehandeling

De problemen waarmee de patiënt met een maligne tumor in het hoofd-halsgebied zijn behandelaars confronteert, vormen een uitdaging voor de multidisciplinaire benadering. De behandeling van deze patiënten geschiedt bij voorkeur in een centrum dat kan beschikken over moderne faciliteiten op het gebied van radiotherapie en revalidatie. In een dergelijk centrum moet een goed functionerend team van specialisten werkzaam zijn (oncologisch geschoolde chirurg, keel-neus-oorarts en kaakchirurg, radiotherapeut, plastisch chirurg, maxillofaciale prothetist, radioloog, patholoog, internist-oncoloog), dat zich in voorkomende gevallen geruggensteund weet door de samenwerking met neurochirurg, dermatoloog en oogarts.

Terug naar top


werkgroep hoofd-halstumoren hoofdtumor halstumor tumor diagnostiek behandeling controle hoofd-halsgebied