Neus-neusbijholte
Neus en neusbijholten

Tumoren van de neus en de neusbijholten

Bij neus- en sinusklachten op middelbare

leeftijd moet worden gedacht aan de mogelijkheid

van een maligne proces.

 

Epidemiologie

In Nederland komen per jaar ruim 100 nieuwe gevallen voor van tumoren van de neus en de neusbijholten; de incidentie bedroeg in 1989/1995 0,8/100 000. Onder bepaalde omstandigheden is de incidentie echter aanzienlijk hoger, zoals bij de Bantoes in Zuid-Afrika, die regelmatig snuif gebruiken dat carcinogenen zoals 3,4-benzpyreen bevat. Belangwekkend is dat in de jaren 70 in Engeland bij een onderzoek van patiënten met kanker van de neusbijholten een verband is aangetoond tussen het voorkomen van adenocarcinomen en het beroep van de patiënten. Het bleek dat deze zeldzame aandoening vooral voorkomt bij (hard)houtbewerkers, vooral in de meubelindustrie en in mindere mate in de schoenindustrie (leestenmakerij). Deze bevindingen zijn ook voor een Nederlandse patiëntenserie bevestigd. Hoewel de directe oorzaak niet is vastgesteld, ligt het voor de hand aan te nemen dat inhalatie van fijn verdeeld houtstof - het stof van hard hout is fijner verdeeld dan dat van zacht hout - een belangrijke rol speelt. Uit de arbeidsanamnese van deze patiënten blijkt dat de periode waarin zij aan de carcinogene invloed blootgesteld zijn geweest, vaak meer dan vijftien tot dertig jaar eerder is geweest. Het is te hopen en te verwachten dat met de huidige sterk verbeterde werkomstandigheden in bovengenoemde industrieën (verplichte bescherming/ ventilatie) deze ziekte minder zal voorkomen.

De maligne tumoren ontstaan meestal in de sinus maxillaris (kaakholte) en de sinus etmoïdalis (zeefbeenholte). Hoewel hier tumoren van zeer uiteenlopende histologie kunnen voorkomen, vormen carcinomen de grote meerderheid. De aandoening komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen; de frequentietop ligt omstreeks het zestigste levensjaar.

Premaligne afwijking

Als premaligne afwijking moet worden genoemd het zogeheten 'inverted papilloma', dat vrijwel altijd eenzijdig voorkomt. Deze zeldzame afwijking, die macroscopisch kan lijken  op een papilloom of een gewone neuspoliep, wordt microscopisch gekenmerkt door talloze invaginaties van het epitheel in het stroma. De tumor recidiveert bij 15-25% na verwijdering en ontaardt maligne in 1-3% van de gevallen. Het is van belang bij dergelijke patiënten al het slijmvlies van neus- en neusbijholten aan de aangedane kant zo radicaal mogelijk te verwijderen en de patiënten levenslang te controleren.

Symptomatologie

De eerste symptomen bij tumoren van de neus en neusbijholten zijn dezelfde als bij sinusitis: eenzijdige aangezichtspijn, neusobstructie en pusafvloed, een enkele keer met bijmenging van bloed. De patiënt komt vaak pas ter behandeling wanneer het proces door de benige begrenzing van de bovenkaak is gebroken (dikke wang, hoogstand van het oog of een zwelling in de mond) of zich binnen het holtesysteem sterk heeft uitgebreid. Zowel de lymfogene metastasering, 10-15%, als de hematogene metastasering is hier van ondergeschikt belang.

Diagnostiek en stadiëring

Bij het onderzoek staan voorop de rhinoscopia anterior en posterior en uitwendige en intra-orale inspectie en palpatie.  CT-scan of MRI-scan zijn de aangewezen beeldvormende technieken, waarmee botaantasting of de tumoruitbreiding kan worden vastgesteld. Endoscopisch onderzoek kan waardevolle aanvullende inlichtingen verstrekken. De diagnose moet vanzelfsprekend histopathologisch door een proefexcisie worden bevestigd. Na oppervlakteanesthesie van het neusslijmvlies kan de proefexcisie gewoonlijk gemakkelijk via de neusopening worden genomen. Voor carcinomen van de sinus maxillaris en sinus ethmoidalis bestaat een TNM-classificatie.

Behandeling en prognose

De behandeling van de primaire tumor bestaat meestal uit een combinatie van chirurgie en bestraling. voor het adenocarcinoom van de sinus ethmoidalis lijkt een combinatie van debulkende chirurgie met locale cytostatica goede resultaten te geven. Zowel chirurgie als bestraling hebben in dit gebied voor de patiënt nogal eens functioneel en cosmetisch ingrijpende gevolgen, vooral met betrekking tot het oog.

Follow-up

Het beloop is sterk afhankelijk van het histologische type van het carcinoom. Recidieven van plaveiselcelcarcinoom doen zich meestal binnen twee jaar voor en zijn zelden alsnog curatief behandelbaar. Bij adenocarcinoom daarentegen kan zich ook meer dan vijf jaar na de oorspronkelijke behandeling nog een lokaal recidief voordoen. Behandeling daarvan kan zinvol zijn; soms wordt weer een jarenlange klachtenvrije periode bereikt.

contact