Diagnostiek en behandeling
Vroeg diagnostiek
Vroegdiagnostiek

Vroegtijdige herkenning van kanker in het hoofd-halsgebied,
een leidraad voor de praktijk

 

Inleiding

Per jaar worden in Nederland ruim 2200 mensen getroffen door kanker in het hoofd-halsgebied (tabel 1). Meestal gaat het om patiënt en boven het 40e jaar met een plaveiselcarcinoom uitgaande van de slijmvliezen. Roken en alcohol zijn de belangrijkste etiologische factoren.

Tabel 1
Aantal nieuwe patiënten met kanker in het hoofd-halsgebied in 1995, per localisatie en naar geslacht (bron: Nederlandse Kankerregistratie, 1998)

 

localisatie

totaal

Man

Vrouw

lippen

202

156

46

mondholte

656

389

267

pharynx

408

305

103

larynx

743

622

121

neus en neusbijholten

125

83

42

speekselklieren

89

46

43

totaal

2.223

1.601

622

 

Het niet tijdig herkennen van kanker in het hoofd-halsgebied kan grote consequenties hebben voor zowel de morbiditeit als de overlevingskans.

Wat zijn de klachten?

De klachten van kanker in het hoofd-halsgebied kunnen sterk variëren en worden vooral bepaald door de localisaties van de tumor. Zo kan een beginnend stembandcarcinoom zich uiten door klachten over heesheid, terwijl een in de tongbasis ontstane tumor slikklachten kan veroorzaken, al dan niet gepaard gaande met plaatselijke pijn of uitstralende pijn naar het oor.

Nasopharynxtumoren presenteren zich behalve in de vorm van neusverstopping en rhinorrhoe soms ook in de vorm van eenzijdige doofheid en/of uitval van één van de hersenzenuwen, bijvoorbeeld dubbelzien ten gevolge van uitval van de nervus abducens.

Het meest voorkomende symptoom van een carcinoom uitgaande van het slijmvlies van de neus of de neusbijholten is een progressieve enkelzijdige neusverstopping en rhinorrhoe. In een latere fase kunnen recidiverende neusbloedingen optreden.

Bij patiënten met een gebitsprothese, bij wie zich kanker heeft ontwikkeld in het slijmvlies van onder- of bovenkaak, kunnen protheseklachten op de voorgrond staan.

Hoe presenteert kanker in het hoofd-halsgebied zich?

Mondkanker kan zich presenteren als een ulcus van het slijmvlies en soms ook als een zwelling. De tongranden en het voorste deel van de mondbodem zijn voorkeursplaatsen. Vooral vooraan in de mond en op de tong gelegen tumoren kunnen vanwege de goede toegankelijkheid van dit gebied bij inspectie vaak al in een vroeg stadium worden ontdekt. In sommige gevallen is er sprake van een klinisch herkenbaar voorstadium in de vorm van witte en soms rode slijmvliesveranderingen (leuko- en erythroplakie‘n).

Tumoren in de pharynx en de stembanden, en ook tumoren in de neus, nasopharynx en de neusbijholten zijn meestal in de eerste lijn niet eenvoudig te inspecteren. In deze situatie is het vooral het klachtenpatroon dat verdenking op maligniteit moet doen oproepen.

Een enkele maal is een vergrote, metastatische lymfklier in de hals de eerste uiting van mond- of keelkanker. Het praktijkgeval hieronder is in dit verband zeer illustratief.

Praktijkgeval

Een 45-jarige patiënte wendt zich tot de huisarts met keelpijn. De keel is bij onderzoek wat rood, mogelijk samenhangend met het fors roken en drinken. Een antibioticum wordt voorgeschreven. Na 6 maanden vervoegt zij zich opnieuw bij de huisarts, nu met een vergrote lymfklier in de hals en met heesheid. De pijn is nu vrijwel constant. Bij navraag bleek de keelpijn aanvankelijk vooral op te treden bij het eten van gekruide spijzen en het drinken van alcohol. De pijn straalde uit naar het oor. Patiënte interpreteerde de vermindering van de klachten na de ingestelde therapie als geruststellend. Zij negeerde daarom de controle-afspraak.

Tumoren in de grote speekselklieren komen vooral voor in de glandula parotis en soms ook in de glandula submandibularis. Een speekselkliertumor uit zich meestal door een langzaam in grootte toenemende, circumscripte zwelling. Pijn en eventueel uitval van de nervus facialis (bij localisatie in de glandula parotis) wijzen op maligniteit, maar het afwezig zijn van dergelijke klachten is geen garantie voor een goedaardig karakter van de zwelling.

Wanneer er geen duidelijke oorzaak kan worden gevonden en het klinische aspect of de klachten niet binnen twee weken zijn verdwenen, is nader diagnostisch onderzoek vereist. Aangezien daarbij vrijwel altijd gebruik wordt gemaakt van een proefexcisie of cytologische punctie, zal de patiënt moeten worden verwezen.

Wanneer en naar wie moet worden verwezen?

Mede afhankelijk van de lokalisatie van de tumor kan verwijzing naar de keel-neus-oorarts, kaakchirurg of radiotherapeut-oncoloog plaatsvinden. Om verschillende redenen is het gewenst dat een patiënt bij wie verdenking bestaat op kanker in mond, neus of keel, binnen twee weken door de specialist wordt gezien.

Over het algemeen wordt geadviseerd om bij verdenking op maligniteit de patiënt te verwijzen naar die keel-neus-oorarts of kaakchirurg, naar wie men ook patiënten met niet-oncologische aandoeningen verwijst. Wanneer het nader diagnostische onderzoek heeft uitgewezen dat het daadwerkelijk om een maligniteit gaat, ligt de verantwoordelijkheid bij de betreffende specialist of hij zelf de behandeling en nazorg op zich neemt of dat hij daarvoor een beroep doet op een specialist werkzaam in een oncologisch centrum.

Wat zijn de behandelingsmogelijkheden?

De behandeling van mond- of keelkanker en ook van kanker in de neus, de neusbijholten en de speekselklieren bestaat meestal primair uit chirurgie of radiotherapie. Vooral bij grotere tumoren wordt vaak gebruik gemaakt van een combinatie van voornoemde modaliteiten. Primaire chemotherapie is in het algemeen alleen geïndiceerd bij zeer grote tumoren, waarvoor geen chirurgische of radiotherapeutische behandeling mogelijk is.

Bij primair chirurgische behandeling van mond- of keelkanker is het in veel gevallen mogelijk om door middel van al of niet primaire reconstructieve chirurgie aanvaardbare functionele en cosmetische resultaten te bereiken.

De behandeling van kanker in het mond- en keelgebied kan met veel morbiditeit gepaard gaan, zowel bij primair chirurgische als bij primair radiotherapeutische behandeling. Dit leidt soms tot grote psychosociale problemen, vooral gerelateerd aan de veranderde lucht-, voedsel- en/of slikweg.

Hoe is de follow-up geregeld?

Zowel voor de controle van het locale en regionale gebied, alsmede uit psychosociale overwegingen wordt in het algemeen een controleperiode van vijf tot tien jaar aangehouden. Deze controles zijn doorgaans in de eerste jaren zeer intensief - om de één à twee maanden - en hebben na ongeveer vijf jaar een frequentie van tenminste éénmaal per jaar.In principe worden de controles uitgevoerd in het oncologische behandelcentrum vanwege de aldaar aanwezige expertise op zowel het medische als paramedische vlak. Daarbij moet worden gedacht aan logopedie, diëtetiek en maatschappelijk werk.

Hoe is de prognose?

De gemiddelde vijfjaarsoverlevingskans van een patiënt met kanker in het hoofd-halsgebied bedraagt ongeveer 50%. Het overlevingspercentage is vooral gecorreleerd aan de grootte van het primaire tumorproces en aan het al of niet optreden van lymfkliermetastasen in de hals en metastasen op afstand. De kans op het ontwikkelen van lymfkliermetastasen in de hals neemt toe met de grootte van de primaire tumor. De prognose wordt daardoor ongunstig beïnvloed (figuur 1 en 2).

Conclusie

Vroege ontdekking van kanker in het hoofd-halsgebied heeft grote invloed op de morbiditeit en de overlevingskansen van de patiënt.

Een gezamenlijk initiatief van

  • Nederlandse Werkgroep Hoofd-Hals Tumoren (NWHHT)
  • Vereniging van Integrale Kankercentra
  • Nederlandse Vereniging voor Keel- Neus- Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Mondziekten en Kaakchirurgie

Met medewerking van

  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Landelijke Huisartsen Vereniging
  • Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde
contact